Een hoorcollege van professor Wagenaar leerde me dat we vragen kunnen blijven stellen naar een bewering en naar het achterliggende bewijs. En steeds dieper doorvragen tot er een moment ontstaat waar het vragen stopt. Op dat moment accepteren we de feiten en vragen niet verder. Dat punt ligt voor iedereen ergens anders. Soms accepteren we een gerenommeerd instituut, soms een wetenschapper, soms zelfs een politicus. Maar we moeten ons ervan bewust zijn dat we zelf de keuze maken waar we stoppen met vragen en wanneer we dus de feiten of beweringen geloven en accepteren.
Ik zie dit dagelijks bij de klimaatdiscussie. Wij kijken naar het IPCC, een instelling die inventariseert wat de stand van zaken is in het onderzoek naar door de mens veroorzaakte temperatuurstijging. We kijken naar het RIVM, naar het KNMI. Mogen we daarop vertrouwen? Of moeten we zelf verder studeren en sites nalopen als klimatosoof.nl of klimaatgek.nl?
Op enig moment komen we terecht bij het voorzorgprincipe: we weten het niet precies, maar we kunnen maar beter actie ondernemen voordat het probleem te groot of onbeheersbaar wordt. Wat mag die voorzorg kosten? Aan geld, ruimte of draagvlak?
Nogmaals, het is actie ondernemen op basis van onvoldoende zekerheid. Besteedt de overheid geld aan infrastructuur of aan subsidies voor windturbines? En hoeveel graden temperatuurstijging scheelt dat dan? Ben ik voldoende zeker van de oorzaak van klimaatverandering om CO2 af te vangen en op te slaan tegen alle maatschappelijke weerstand in?
Wie stopt met vragen bij het IPCC van de Verenigde Naties kiest terecht voor alles om te voorkomen dat we met CO2 het klimaat beïnvloeden. Maar als ik verder kijk, luister of lees, ben ik niet overtuigd. En zeg ik nee tegen windmolens in het Groene Hart.
Niet iedere beslisser is een wetenschapper en de wetenschappers zijn het onderling niet eens. Er past ons bescheidenheid, maar wij, politici, zullen de keuze moeten maken.
Naar eer en geweten. Geef ons die ruimte.
Ivo ten Hagen